Verdichting gaat kavel voor kavel. Elk gebouw krijgt een opdrachtgever, een budget en een ontwerpteam. De ruimte ertussen krijgt niets van dat alles. Toch is dat waar mensen wonen.
Almere verdicht zijn centrum met zo'n 24.500 woningen in tien jaar. Dat gebeurt kavel voor kavel. Elke kavel krijgt een eigen eigenaar, een eigen architect, een eigen jaartal en een eigen vergunning.
Zo hoort het ook. Het is hoe grondposities, financiering en vergunningen werken. Elk gebouw komt er goed uit.
Alleen: het geheel is niemands opdracht. Er is geen opdrachtgever voor de stoep, de doorgang, de overgang van het ene gebouw naar het andere. Er is geen budget voor de tien meter ertussen.
Niemand ervaart een kavel. Iedereen ervaart de straat.
Voor drie naastgelegen kavels aan de Randstad 20 in Almere stelden we die vraag voordat de losse ontwerpopdrachten vastlagen. Niet om de architectuur te bepalen. Om te zien welke beslissingen verdwijnen zodra je de kavels los behandelt. Het bleken er drie.
Een plint werkt op lengte. Eén actieve begane grond tussen twee dichte gevels is een etalage zonder straat. Drie plinten die op elkaar aansluiten zijn een looproute, en een looproute draagt programma dat een los gebouw niet kan dragen.
Het gemeentelijk kader vraagt een dubbelhoge begane grond. Wij tekenen vier lagen publiek programma, over de kavelgrenzen heen doorlopend.
Parkeren op eigen kavel eet het grondvlak op: precies de laag waar de plint had moeten zitten. Alles naar de mobiliteitshub verplaatsen lost dat op, maar alleen als de buren meedoen. Eén gebouw dat het in zijn eentje probeert, krijgt de parkeerdruk van de buren op de stoep terug.
Samen levert het iets op wat geen van drieën alleen kan kopen. Het volledige grondvlak blijft stad.
Gedeelde ruimtes komen in de praktijk terecht op de plek die overblijft: de kelder, de noordkant, de hoek zonder uitzicht. Krijgt collectief leven de slechtste plek in het gebouw, dan gebeurt het niet. De ruimte staat leeg en verdwijnt bij de eerste bezuiniging.
Bekijk je drie gebouwen samen, dan kun je de gedeelde ruimtes op de zonhoeken leggen, aan de kant van de buren. Ze kijken op elkaar uit. Wat binnen gebeurt is buiten zichtbaar, en dat is wat een straat levend maakt na kantoortijd.
De plint is de ruggengraat van een gebouw en de entree tot de buurt. Toch wordt hij meestal laat ingevuld, als sluitpost, met wat er op dat moment verhuurbaar lijkt.
Daarom bouwden we de Plint Configurator. Elf vragen over wie er woont, wat de buurt mist en wat er boven staat. Daaruit rolt een plint die je kunt bekijken, wegen en aanpassen. Voordat er een tekening ligt.
Elk gebouw antwoordt op zijn eigen kavel, zon en oriëntatie. Samen vormen ze één gevelwand aan de boulevard, met een doorlopende plint eronder en het parkeren in de hub.
Eén toren aan de westkant van de rij. Een verticale buurt van gedeelde verdiepingen, met de gemeenschappelijke ruimtes op de zonhoeken.
Twee torens waarvan de vloerplaten verschuiven. Elke verspringing snijdt een void uit: een gedeeld terras, een tuin, een collectieve kamer.
Een toren waarvan het hart is uitgesneden. Gedeelde terrassen klimmen door het midden van het gebouw in plaats van weggestopt in een hoek.
Geen van deze drie beslissingen ligt bij één partij. Ze liggen in de ruimte ertussen, en die ruimte heeft geen eigenaar.
Praten ze pas met elkaar als de vergunningen lopen, dan is de straat al beslist. Door niemand.
Eerlijk over waar we staan. Er staat nog geen steen. Dit is een richtinggevende studie, geen definitief ontwerp, en het gaat veranderen zodra de architecten erop zitten. Dat is precies het punt: dit is de fase waarin veranderen nog niets kost.